Een vis weet niet wat water is
26 December 2011De yuppies staan vrolijk bij elkaar, biertje in de hand of onder handbereik op de bar. Geen gewone pilsjes, op deze plek drink je iets speciaals. Een tripel met een dubbele naam, of op z’n minste genoeg Belgisch-Franse klank. En daarna heel gewichtig proeven, of, aan de andere kant van het spectrum, zo blasé als je kan.
De gesprekken gaan over werk, carrière, een enkele keer over relaties. Maar vooral over carrière. Niemand neemt positie in, de gesprekken hebben niet als doel ergens toe te leiden of uit te komen. Verpozing, daar lijkt het om te gaan. Of is er een hoger doel, bij de groep horen, de eigen status in de groep veiligstellen? Er hangt veel pose in de lucht. Sommigen poseren zo veel en vaak dat ze het zelf niet meer door hebben. Kan een pose overgaan in zijn, als je lang genoeg poseert?
Er wordt wederzijds interesse in elkaar geveinsd; een gespeelde beleefdheid, tot ze zelf het woord weer te pakken krijgen. Het voornaamste onderwerp: zichzelf, en de prestaties die bereikt zijn. Meewarige blikken als een nieuweling een verhaal probeert op te dissen. De toehoorders zouden het zelf veel beter doen, zowel het verhaal als het werk. Maar ook dat kan pose zijn.
Er komt een nieuw groepje binnen. Net wel, net niet afgestudeerd, rond die leeftijd. Er is geen plaats meer om te zitten, ook de statafels zijn bezet. De groep staat ongemakkelijk tussen de tafels en besteld biertjes. Deze plek is te hip om ergens anders heen te gaan. De populairste voert het hoogste woord, zichtbaar trots om hier te zijn. Zijn pose is over-the-top, om in jargon te blijven. De meeste van zijn groep hebben het niet in de gaten; hijzelf gelukkig ook niet.
De vaste bezoekers zien het wel. Ik probeer te bedenken of dat voor hen pleit, en val niet op, op deze plek.
Het laatste restje ochtendspits zorgt voor een perron vol kleumende mensen, wachtend op de trein naar Amsterdam. Eenlingen, op weg naar hun werk. Net als ik, overigens. Laptoptas, krantje, koffie, soms muziek aan. Ze verspreiden zich over het perron. Niet omdat dat zometeen handig is met instappen, maar omdat ze niet bij elkaar in de buurt willen staan. Ik ben de ongeschreven regels vergeten en krijg geïrriteerde blikken als ik te dichtbij stil blijf staan.
Ik loop verder op het perron, en kijk van afstand naar de groter wordende groep wachtenden. De minimale afstand tussen mensen hangt nauw samen met de grootte van het perron, het aantal wachtenden en de tijd die het nog duurt voor de trein arriveert. Volgens mij is met een simpel wiskundig model exact te voorspellen wanneer een geïrriteerde blik ontstaat.
Van binnen lach ik er om, terwijl ik de groep observeer. Dan valt me nog iets op. Alle jassen zijn zwart, donkerbruin of donkerblauw. Van afstand niet eens te onderscheiden, allemaal donker. Het fascineert me. Ook aan de andere kant van het perron staan alleen maar donkere jassen. Een kleurloze massa. En ik, met m’n knalrode jas.
De trein komt, ik stap in en duik net als de rest van de forensen de krant in. Ook in Amsterdam kom ik geen kleur tegen. Was dat al zo, voor ik vertrok? Of viel het me alleen niet op?
Van de week heb ik een nieuwe jas gekocht. Een zwarte.
Oja. Fijne kerstdagen.






