Slecht weer bestaat niet, alleen slechte kleding.

9 March 2012

Op de wadden is het nooit slecht weer. Hooguit zijn er mensen met slechte kleding. Het eiland was koud, gehuld in dichte mist en daardoor leek het nog leger dan het was. Heerlijk, met een goeie jas.

Zo leeg als het eiland was, zo vol is de boot. Het regent, dus iedereen zit binnen: alle tafeltjes zijn bezet. Hier en daar zijn nog wel wat lege stoelen. Mag ik hier zitten? “Nee, natuurlijk niet”. Hmm. Dat schiet niet op, natuurlijk. Uiteindelijk beland ik bij een wat ouder echtpaar aan tafel.

Aan de tafel naast me blert een kind. Ze wil haar stoel opschuiven, maar op een boot zitten die natuurlijk vast aan het dek. Dat zint haar niet. Het gejank begint. Moeder geeft een snauw, het volume gaat omhoog. Moeder wordt boos, negeert haar kind en kijkt demonstratief de andere kant op. Het meisje gaat nu op vol vermogen. De hond aan een tafel verderop waardeert het wel en huilt lekker mee.

M’n tas staat half onder de tafel geschoven, zodat er nog iemand langs kan. Een vrouw kijkt niet uit en struikelt er over. Er komt een hoop lawaai uit. Ze is de balans tussen de schuld bij je omgeving leggen en zelf uit je doppen kijken duidelijk kwijt.

Het echtpaar eet inmiddels twee broodjes bal. Het ruikt net zo klef als het er uit ziet. De omroeper vraagt of je je jas niet op een vrije stoel wil leggen, zodat iedereen kan zitten. Het is kennelijk nodig. Voor zover ik kan zien vind bijna iedereen dat een ander dat beter kan doen. De kinderen achter me verklaren luidkeels dat ze moeten poepen.

We zijn de haven nog niet uit en de tocht duurt nog twee uur.

Ik ben precies zeven maanden terug en er nog steeds niet aan gewend. Hoezo vinden mensen het vervelend als je aanschuift bij een tafel met twee lege plaatsen? Met een beetje goede wil kan je daar ook vier mensen kwijt. Of acht kinderen. Die trouwens best de hele reis muisstil kunnen zijn, om zich vervolgens uit het voertuig origamiën. Zonder op je tas te staan. Er lijkt net zo’n bubbel in ego’s en persoonlijke ruimte te zitten als in de huizenprijzen. Ik heb niet zo goed geslapen, vind er van alles van, en voel me net een SIRE reclame.

Ik wil terug. Terug naar Terschelling.

 

Is er dan helemaal niks leuk in Nederland? Jawel hoor, er is heel veel leuk hier. En het leukste heet Diny’s Diner: een nieuwe eetvoorziening voor thuislozen. Ik heb een superenthousiast clubje mensen bij elkaar getrommeld, en afgelopen dinsdag zijn we open gegaan. Omdat het na een jaar aanmodderen zonder echt resultaat tijd is voor een project dat wel goed loopt.

Meer info op www.dinysdiner.nl. Onze fanpage ‘liken’ is goed voor je karma: www.facebook.com/dinysdiner.

Een vis weet niet wat water is

26 December 2011

De yuppies staan vrolijk bij elkaar, biertje in de hand of onder handbereik op de bar. Geen gewone pilsjes, op deze plek drink je iets speciaals. Een tripel met een dubbele naam, of op z’n minste genoeg Belgisch-Franse klank. En daarna heel gewichtig proeven, of, aan de andere kant van het spectrum, zo blasé als je kan.

De gesprekken gaan over werk, carrière, een enkele keer over relaties. Maar vooral over carrière. Niemand neemt positie in, de gesprekken hebben niet als doel ergens toe te leiden of uit te komen. Verpozing, daar lijkt het om te gaan. Of is er een hoger doel, bij de groep horen, de eigen status in de groep veiligstellen? Er hangt veel pose in de lucht. Sommigen poseren zo veel en vaak dat ze het zelf niet meer door hebben. Kan een pose overgaan in zijn, als je lang genoeg poseert?

Er wordt wederzijds interesse in elkaar geveinsd; een gespeelde beleefdheid, tot ze zelf het woord weer te pakken krijgen. Het voornaamste onderwerp: zichzelf, en de prestaties die bereikt zijn. Meewarige blikken als een nieuweling een verhaal probeert op te dissen. De toehoorders zouden het zelf veel beter doen, zowel het verhaal als het werk. Maar ook dat kan pose zijn.

Er komt een nieuw groepje binnen. Net wel, net niet afgestudeerd, rond die leeftijd. Er is geen plaats meer om te zitten, ook de statafels zijn bezet. De groep staat ongemakkelijk tussen de tafels en besteld biertjes. Deze plek is te hip om ergens anders heen te gaan. De populairste voert het hoogste woord, zichtbaar trots om hier te zijn. Zijn pose is over-the-top, om in jargon te blijven. De meeste van zijn groep hebben het niet in de gaten; hijzelf gelukkig ook niet.

De vaste bezoekers zien het wel. Ik probeer te bedenken of dat voor hen pleit, en val niet op, op deze plek.

 

 

Het laatste restje ochtendspits zorgt voor een perron vol kleumende mensen, wachtend op de trein naar Amsterdam. Eenlingen, op weg naar hun werk. Net als ik, overigens. Laptoptas, krantje, koffie, soms muziek aan. Ze verspreiden zich over het perron. Niet omdat dat zometeen handig is met instappen, maar omdat ze niet bij elkaar in de buurt willen staan. Ik ben de ongeschreven regels vergeten en krijg geïrriteerde blikken als ik te dichtbij stil blijf staan.

Ik loop verder op het perron, en kijk van afstand naar de groter wordende groep wachtenden. De minimale afstand tussen mensen hangt nauw samen met de grootte van het perron, het aantal wachtenden en de tijd die het nog duurt voor de trein arriveert. Volgens mij is met een simpel wiskundig model exact te voorspellen wanneer een geïrriteerde blik ontstaat.

Van binnen lach ik er om, terwijl ik de groep observeer. Dan valt me nog iets op. Alle jassen zijn zwart, donkerbruin of donkerblauw. Van afstand niet eens te onderscheiden, allemaal donker. Het fascineert me. Ook aan de andere kant van het perron staan alleen maar donkere jassen. Een kleurloze massa. En ik, met m’n knalrode jas.

De trein komt, ik stap in en duik net als de rest van de forensen de krant in. Ook in Amsterdam kom ik geen kleur tegen. Was dat al zo, voor ik vertrok? Of viel het me alleen niet op?

Van de week heb ik een nieuwe jas gekocht. Een zwarte.

 

Oja. Fijne kerstdagen.

Thuisblijvers

27 September 2011

Zomaar een dag. Ik fiets een rondje, niet direct met een doel. Gewoon een rondje. Mijn fiets brengt me op bekende plekken: de Oude Gracht, Ledig Erf, Tolsteegsingel, Nieuwe Gracht, overal en nergens. Aan alle kanten schieten auto’s, fietsers en voetgangers me voorbij. Ze hebben haast, moeten ergens naar toe, een niet aflatende stroom mensen trekt voorbij. Net als voordat ik vertrok, maar toen was ik er onderdeel van. Nu kijk ik van afstand. En fiets ik aan de verkeerde kant van de weg, of zij?

Als ik beter kijk zie ik hier en daar vertrouwde gezichten. Dezelfde mensen zitten op dezelfde bankjes, met dezelfde blikjes. Vaste bakens in een stad die sneller gaat dan ik nu gewend ben. Grote kans dat hun gesprekken nog altijd over hetzelfde gaan.

Het is dinsdag. Marktdag in Loitokitok. Vanuit de wijde omgeving trekken mensen ’s ochtends vroeg naar het kleine dorp aan de voet van de Kilimanjaro. Zelfs vanuit Tanzania komen bananenhandelaren naar het district capital. De vlakte die dienst doet als markt meet ongeveer 40 bij 40 meter, en zit helemaal vol. In het straatje er naast staan ook nog wat kraampjes. Het is een drukte van belang, voor lokale begrippen.

Bij de ingang ligt groene kool, daarnaast aardappels. Linksaf naar de vrouwen die wortel, avocado en mango verkopen. Rechtdoor naar de Tanzanianen met gigantische trossen groene bananen. Precies in het midden van de markt zit Mama Mutisa. Altijd op dezelfde plek, en altijd met de beste groente. ‘Habari mama’, zeg ik. ‘Mzuri, habari yako?’, is het antwoord. Ik bestel wat ik nodig heb en vervolg mijn weg, langs cassave, meloenen en arrowroot. Op een of andere manier komt iedereen elke week op dezelfde plek terecht. Na drie bezoeken kan je bijna blind de weg vinden, ook als je na een paar jaar terugkomt.

Misschien is dat wel de overeenkomst. Of iemand nou in Nederland of in Kenia woont, mensen zijn gewoontedieren. Het geeft rust als alles hetzelfde gaat, alles op dezelfde plaats ligt en je op dezelfde momenten dezelfde gezichten tegenkomt. Of geldt dat alleen voor thuisblijvers? En wat ben ik dan, nu ik na een jaar weer terug ben?

Zo op de fiets blijf ik mijzelf het antwoord schuldig. Wel besluit ik een oude gewoonte weer op te pakken: werken bij het Smulhuis is te leuk om niet te doen. Kan ik meteen even bijpraten met de vaste bakens op hun bankjes.

Aan de goede kant van de weg ga ik op in de gehaaste stroom, terug naar Lunetten. Bijna thuis wordt ik begroet door een buurvrouw. Meer dan groeten en af en toe een praatje maken hebben we nooit gedaan, maar dat is genoeg om elkaar na anderhalf jaar nog te herkennen. ‘Hoe lang ben je eigenlijk weg geweest’, vraagt ze. ‘Bijna drie maanden toch?’

Duidelijk een thuisblijver.

To everyone

30 July 2011

Jongens waren we–maar aardige jongens. Al zeg ik ‘t zelf. We zijn nu veel wijzer, stakkerig wijs zijn we, behalve Bavink, die mal geworden is. Wat hebben we al niet willen opknappen.

Bavink stond overeind en breidde z’n armen uit en luisterde, en ging daarna weer zitten en zei dat we der ook nooit iets van zouden snappen, hij zelf ook niet, en dat we eigenlijk niet veel beter waren dan al die andere lui, en ik geloof, dat-i daar heel na aan de waarheid was.

Eén keer heb ik tegen ‘m gezegd: “‘t Is toch mooi dat je alles zoo zeker weten kunt.”

(Boys we were – but the good kind. Even if I do say so myself. We are a lot wiser now. It’s pathetic how wise we are, except for Bavink, who went crazy. There was so much we wanted to deal with.

Bavink stood up, extended his arms and listened, then sat back down and said we would never understand anything, even he wouldn’t, and that we really were not much better than all those other people, and I believe that was very close to the truth.

Once I said to him: “It’s so nice that you can be so sure of everything.”)

 

This blog is a special blog. Also, it’s the first blog in English; though I usually like it not everyone in Kenya can read my tales, this blog needs to be in a language everyone understands.

It’s been a year, almost thirteen months by now. I remember the day I arrived in Kenya like yesterday. Funny, how things can go so fast. Did it change me, a year in Kenya? It’s highly unlikely not to change if you live in another country and culture, surrounded by a huge variety of people. So yes, I must have changed. I know some of my opinions have changed, on how things are going in the world, on how people behave and how I respond to that, or how I would like to respond. Personal change must have happened too, though it’s difficult to point that out in yourself. I think it’s best to leave it to others to tell.

Do I understand more of the Kenyan culture and society, or about how aid works? To a certain extent, yes, but I’m caught in the classic ‘raising more questions than answers’ situation. It is complicated. I tried to write a long blog about it, writing down my thoughts and opinions, but couldn’t. Guess it means I haven’t got my head around it, else I would be able to put it in words. Maybe it is just too big and complicated to think through.

The adventure in Kenya is almost over, just one last safari in Tanzania and it’s done. It’s been good, and all good things must come to an end. Then, it’s good to have a end to journey towards, but it’s the journey that matters in the end. So, time to make up my mind and decide which journey is next. Walk the Camino to Santiago de Compostela? Run a marathon? Write a book ? Finally grow up and get a real job?  So much to do, so little time… First back to Holland, then we’ll see!

Anyway, as said, this is a special blog; a thank-you blog. So here goes, in random order and vastly incomplete: thank you, to Araphat and Mark Kisopia, for true support in Loitokitok. To Ruth, Joanna, Katharine, Trixie, Gopal, Julia and Ruth for the numerous overnight stays and for being friends. To Lowell, for the piki safaris and Tuskers afterwards. To Ricky, Lee, Joanna, Cameron, Julia, Heather, Allys and Tonja, for visiting in Loitokitok. To Linda, Marieke, Ruud, Rudy, Willem, Stephanie and Jurjen, for visiting me from Holland. To Jecinta, for her good care and endless amounts of chapatis and mandazi. To the Nairobi based volunteers, for the nights out, the dinners, the drinks, the dancing.  To everyone I went on safari with: you are too many to list all, but special thanks to Joanna, Ruth, Albertine, Ale, China and Laura for naively sharing my excitement to go overland to Turkana! To the readers of my stories, some of whom I don’t even know in real life. Even to VSO; disorganized as they are, they got me here in this adventure. A special thanks to my grandmother, for teaching herself to read and comment on my blog, but most of all for printing each story and bringing it to my other grandmother and grandfather.

To all my friends. To my family. To all colleagues I’ve worked with. To all readers of this blog. To all the people I’ve met along the way. To everyone who made this last year happen. I am grateful and thank you. A massive thank you, for a truly and deeply amazing year.

Keep in touch, we’ll meet again.

Reflectie, of lui op het strand liggen

3 July 2011

Vlak na mijn terugkomst in Kenia krijg ik bericht van VSO: het is volgens hen tijd voor mijn review. Op mijn vraag dat het wat vreemd getimed is om na 11,5 maand een review te doen voor een placement van een jaar wordt snel geantwoord: dan maken we het je exit-interview. Dat mijn zes-maanden review niet gebeurd is wordt snel afgeschoven op de enige in het kantoor die wel wat deed, maar in Februari ontslag genomen heeft. Ach ja. Ook bij VSO valt nog wat ontwikkelingswerk te doen.

Met het Executive Committee bereiden we de evaluatie voor. Lastig: van de in het begin opgestelde doelen zijn er bijzonder weinig behaald, en de dames en heren weten heel goed waar dat aan ligt. Ik heb zo objectief en beknopt mogelijk opgeschreven wat de huidige stand van zaken is, en dat naast de stand van zaken gelegd die in het begin beschreven is, zonder oorzaken of verantwoordelijken te benoemen; dat mogen de executives zelf bedenken. Terwijl we de doelen een voor een afgaan vallen er vooral veel lange en pijnlijk stiltes.

Mark heeft toen ik net in Loitokitok was eens gezegd: na een jaar ga jij weer terug, en wij blijven hier. Als we in dat jaar niet vooruitgekomen zijn of iets geleerd hebben, dan is dat ons probleem. Enorm waar, en ik ben heel blij dat hij er nog steeds zo over denkt.

In het management advies voor Ilkisonko schrijf ik dat in een coöperatie het oordeel van de leden het belangrijkst is, omdat de algemene ledenvergadering het hoogste orgaan in de organisatie is. En dat alle bestuursleden zo goed als unaniem herkozen zijn, waarmee de leden hebben aangeven dat ze tevreden zijn met de manier waarop het nu gaat. De dames en heren bestuursleden knikken instemmend. Dat er in de praktijk nooit een andere verkiezingsuitslag zal komen komt niet bij hen op.

Over veranderingen in het afgelopen jaar schrijf ik dat er weinig gebeurd is. Ook de veranderingen die het Executive Committee zelf voorgesteld heeft zijn niet doorgevoerd. Dat betekend dat de veranderingen kennelijk niet nuttig waren, en van daaruit kan je concluderen dat de organisatie goed is zoals ‘ie op dit moment is, of genoeg zelfvertrouwen heeft om noodzakelijke veranderingen naar eigen inzicht in gang te zetten. Druk van buitenaf om te veranderen is daarmee niet nodig en ook niet nuttig. Wederom knikt iedereen instemmend.

Op basis van bovenstaande redenatie is mijn advies aan VSO om geen nieuwe volunteers meer te sturen, omdat dat niet nodig is. Het is beter de ondersteuning op andere manieren voort te zetten (die krijgen ze op dit moment ook al en werkt goed). Op wonderbaarlijke wijze kunnen de executives zich daar dan weer niet in vinden. Vooral Emmanuel begint hard te piepen. Schijnbaar denkt hij dat ik het laatste woord heb binnen VSO; ik laat hem in de waan.

Dan, op veler verzoek, het conflict. Om de verwachtingen meteen maar te temperen: het stelt eigenlijk niet zo heel veel voor. De kern is dat als je iets van iemand afpakt, ook al wordt het niet gebruikt of gewaardeerd, er heftig gereageerd wordt. In elk geval door iemand als Emmanuel. Die roept het Executive Committee (inclusief de District Commisioner) bij elkaar als je rapportages uit een informatiesysteem haalt waar hij aantoonbaar nog nooit een blik op heeft geworpen. Hij heeft mij ook voor de vergadering uitgenodigd, op de valreep, maar me niet verteld waar het over ging. Gelukkig ben ik niet zo gek als ik er soms uit zie en kwam ik voorbereid ter tafel.

Hoe verder de vergadering vorderde, hoe meer onzin er uit de beste man kwam. Hij is eenvoudig te beïnvloeden: als je ‘m in de rede valt wordt het onzingehalte direct hoger. Handig, want daarmee maakt hij zichzelf niet geloofwaardiger. Uiteindelijk besluit ik om grof geschut in te zetten: ik zeg hem in zijn gezicht dat hij dingen roept die pertinent niet waar zijn, dat hij draait en niet eerlijk is, en ik daarom niet met hem in discussie ga. Dat blaast de boel goed op. Om de executives tegemoet te komen zeg ik toe de rapportages weer terug te zetten.

Twee dagen later is de review. Emmanuel is nog steeds opgefokt; prima, dan maakt de kans groter dat hij zijn ware zelf ook aan VSO laat zien. En zowaar, hij doet het ook nog. Eerst lopen we de doelen na, waar er zoals eerder gezegd geen een van behaald is. Pauline, de program manager, begint te vragen naar het hoe en waarom. Ik schuif zoveel mogelijk vragen door naar Emmanuel en Peter, de chairman. Geef wel af en toe een zetje in de goede richting, als er echt onwaarheden uit komen.

Emmanuel heeft er zin in en praat naar goed Keniaans gebruik honderduit, en maakt daarbij veel vage insinuaties en weinig concrete punten. Pauline raakt er zichtbaar door geïrriteerd. Dan begint hij over de rapportages die ik verwijderd heb. Hij haalt de hele wereld erbij, maar vooral zijn eigen wereld. En die staat een endje van de werkelijkheid af. Na een paar minuten sta ik op, loop van de boardroom naar kantoor, maak een praatje, zet de rapporten terug, maak nog een praatje en ga weer naar de boardroom. Emmanuel is nog steeds bezig met zijn monoloog.

Pauline onderbreekt hem en vraagt me of ik de rapportages nog heb, en of ik ze terug kan zetten. ‘Dat heb ik net gedaan, zoals we eergister afgesproken hebben. Soms moet je minder praten en meer doen’. Alle aanwezigen lachen, op een na.

Aan het eind van de review zegt Pauline dat de placement eigenlijk over drie weken pas eindigt, om meteen daarna te vragen hoeveel vakantiedagen ik nog over heb. Mooi, ik kan gaan en staan waar ik wil en regel meteen een weekendje snorkelen in Mombasa.

Wel jammer natuurlijk dat het zo eindigt; een positieve afsluiting was leuker geweest. Aan de andere kant ben ik hier niet voor de lol en zag ik hiermee een kans om goed helder te krijgen waar het probleem nou zit, zowel voor VSO als voor Ilkisonko. Hoeveel impact het uiteindelijk heeft is maar de vraag natuurlijk, maar ik heb in elk geval iets meer realisme kunnen brengen in het beeld dat Ilkisonko van zichzelf schetst. Daarnaast is Emmanuel met stip de meest vervelende man waar ik ooit mee gewerkt heb. Een klein kind, niets mee aan te vangen, geen eer aan te behalen. En dan is het na een jaar best lekker om eens goed uit te halen.

En nu dus op vakantie. Vorige week naar Kisumu en Mfangano Island; vanmiddag vlieg ik voor zes dagen naar Lamu, het Zanzibar van Kenia. Tijd voor reflectie. Of gewoon lui op het strand liggen.

De koffie staat klaar!

23 June 2011

Help, de koffie is op! En in Loitokitok is alleen maar oploskoffie te krijgen; de dichtstbijzijnde fatsoenlijke koffie is te vinden in Nairobi… Grote paniek dus, zoals je begrijpt. Maar, gelukkig groeit er van alles op de compound. Het meeste is geitenvoer, hier en daar een fruitboom, wat kruiden, en: koffieplanten, op dit moment klaar om geoogst te worden. Komt dat even goed uit.

Oogsten dus, met de hand, want dat doen de fair trade clubjes ook. Eerst de papegaaien uit de struiken jagen (die lusten kennelijk ook koffie), en daarna op zoek naar de meest donkerrode bessen.

Na het plukken volgt het pellen. Als de schil en vruchtvlees verwijderd zijn blijft er een glibberig laagje glucose om de boon heen zitten, een soort gelatine. Niet handig, niet verteerbaar en ook niet lekker, maar wel goed om de fermentatie te beginnen. Met z’n allen in een potje dus, scheutje water erbij, deksel er losjes op en in de zon wachten tot de glucose oplost.

Na een paar dagen fermenteren is de glucose verdwenen, maar zit er nog wel een velletje tussen mij en de koffieboon. Het velletje laat nat niet los, dus is het tijd om te drogen. Boontjes op een bord, zon aan en geduldig wachten tot het vliesje openbarst.

Ongeduldig als ik kan zijn heb ik het na een paar dagen wel gehad met het drogen en begint het pellen, dat zoals je ziet waarschijnlijk beter lukt als je ’t iets langer laat drogen. En al ruiken ze er niet naar, en hebben ze niet de goede kleur, de vorm lijkt op die van een koffieboon en dat is al een hele stap.

Koffie moet gebrand, en dat kan prima in de koekenpan. M’n huis ruikt al snel naar verse koffie; zo zou het hier altijd wel mogen ruiken. Volgens mijn research is koffie branden eenvoudig. Je wacht tot de bonen geluid beginnen te maken en laat dan de boel wat langer of korter bakken voor een sterkere of mildere smaak.  Ik verdenk de planten hier in Loitokitok er van geluidloze bonen te produceren: ondanks een stevige dark roast wordt er geen kik gegeven.

Dan zit je met een hoopje bonen die lekker ruiken, maar zonder koffiemolen. Omdat ten halve keren op de helft moet gebeuren en ik daar al ver voorbij ben ga ik op zoek naar een alternatief. Een plastic zakje, een blok hout en een hardhouten spatel bieden uitkomst. Het is een vrij grove maling geworden; wellicht had ik wat meer agressie op moeten bouwen de afgelopen tijd.

Het belangrijkste is natuurlijk het eindresultaat. Dus hup, water koken, koffie in de cafetière, Music from the Coffeelands aan om in de sfeer te komen, en dan koffie zetten en degusteren, zoals dat zo mooi heet. Bij de eerste keuring (visueel) gaat het al mis. De kleur lijkt niet echt op koffie. Zelfs voor thee ziet het er slap uit. Maargoed, schijn kan bedriegen. Door naar stap twee, het olfactorisch onderzoek. En, het valt niet te ontkennen, het ruikt echt naar koffie. Ergens in de verte dan. Gelukkig is the proof of the pudding in the eating. Of in the drinking, in dit geval. Tijd dus voor de laatste stap, het gustatieve onderzoek. Tja. Ik kan er veel over schrijven, maar het vraagt niet veel verbeeldingskracht om te bedenken dat iets dat niet echt op koffie lijkt, en niet echt naar koffie ruikt, ook niet echt naar koffie smaakt. Morgenochtend toch maar oploskoffie. Is ook sneller klaar.

 

To zover de les huis- tuin- en keukenkoffie. Dan het overig nieuws. De vorige keer riep ik nog dat er nu iets aan het gebeuren was bij Ilkisonko, en ik daar vast iets bij kon betekenen. Helaas, dat was te vroeg gejuicht: er gebeurde helemaal niets. Vervelend, vooral omdat het betekende dat ik een maand niets zou zitten doen. Volgens de manager was er echt helemaal niets dat ik zou kunnen doen, behalve dan stand-by staan voor het geval er een vraag was. Ik was er wel klaar mee en heb een flink conflict gemaakt met hem. Het oordeel of zoiets nou echt heel verstandig is laat ik aan de lezer, maar leuk was het zeker. De uitgebreide versie verschijnt hier nog wel een keer. Het resultaat is in elk geval dat ik sinds vorige week niet meer op kantoor hoef te komen, met wederzijds goedvinden. Afgelopen weekend dus lekker aan het snorkelen geweest in de buurt van Mombasa, deze week m’n spullen ingepakt, en afscheid genomen van iedereen. Morgen naar Nairobi, waar de vakantie echt begint. Nu al zin in!