Around and about in Loitokitok

15 June 2011

Ik ben weer terug

6 June 2011

Uit de kraan drinken zonder ziek te worden. Daadwerkelijk moeten stoppen voor een stoplicht. Een stoep naast de weg. In een park hangen zonder dat er elke minuut iemand op je af komt. Langs de gracht lopen. Fatsoenlijk douchen. Utrecht. Groningen. Lelystad. Loppersum. Marieke. Een bruiloft. Nog een bruiloft. En nog een bruiloft, om het af te leren. Witbiertjes op het Ledig Erf. Drankjes in Amsterdam. Drankjes in Rotterdam. Eendags_drankjes. Bartjan & Laura. Alexander & Roos. Dries-Jan & Meike. Ruud & Rudy. Dave & Audrey. Oma Haaksma. Opa & Oma Pilon. Eva. Ghita. Albertine. Nicoliene. Door & Puck. Jaap & Carla. Iedereen die ik wel gemist maar niet genoemd heb. Gerookte makreel. Roggebrood met kaas. Gerookte zalm. Komijnekaas. Brood dat echt naar brood smaakt. Smulhuis. Bastaard. Livemuziek in het Pothuys. Dansen in de Ekko. Tivoli. Sauna. Ligfietsen langs de Lek in Lelystad. Alles wat me toen niet te binnen schoot: cappucino in het Louis Hartlooper, Thijs, Jurjen & Femke (nog excuses ;-)), Finn, Hans, Karin, Joost, door het bos fietsen . Het was leuk druk, de afgelopen drie weken!

Het was wel even wennen in Nederland, na tien maanden Kenia. Het was groen. Idioot groen. Ik wist niet dat groen zo groen kon zijn. Wat ook opviel is dat er zo weinig mensen op straat lopen: in Nairobi loopt iedereen overal. Rechts lopen was nog behoorlijk lastig trouwens. In de auto en op de fiets was het geen probleem, maar lopend wijk ik standaard uit naar links. En dat is niet handig, als iedereen rechts wandelt.

Ik heb daarmee wel een verschil in mentaliteit ontdekt: als je in Nederland tegen iemand aan botst is dat een goed recept voor een aanvaring, of op z’n minst een vuile en beschuldigende blik. Want hoe durf je zomaar tegen iemand aan te stoten; je kon toch zien dat daar iemand liep. In Kenia is zo’n botsinkje geen enkel probleem: je hebt namelijk allebei precies evenveel recht om op dat moment op die plek te zijn. Natuurlijk zal de uitzondering de regel bevestigen, en of Kenianen er zelf zo over nadenken weet ik niet. Maar van het idee dat je eerder het recht hebt om er te zijn, dan de plicht om plaats te maken kunnen we in Nederland nog wat leren.

Kenia is ongeveer hetzelfde gebleven. De dag voor mijn vertrek naar Nederland regende het een klein beetje; sindsdien is er geen druppel meer gevallen. In Nederland was ik overdonderd door de enorme hoeveelheid groen, in vergelijking met Kenia. Nu bij terugkomst is dat nog veel erger, maar dan door de dorheid en droogte die in drie weken in Loitokitok ontstaan is. De regen is te vroeg gestopt, de meeste gewassen zijn nog niet volgroeid. Hoewel je er in het dagelijks leven nog niet zo veel van merkt ligt een voedselcrisis op de loer.

Verder zijn er betonnen goten naast de asfaltweg gemaakt, bedoeld voor afwatering, maar in de praktijk vooral gebruikt als afvalbak. En hier en daar belanden er al dronken mannen in, vooral in het weekend. Ook de stroomstoringen zijn er weer: zaterdag valt de stroom uit, om zondag terug te komen. Helaas maar voor even: er is iets stuk op mijn deel van de compound, waardoor iedereen stroom heeft, behalve de school en ik. Dat betekent koud douchen, en eten bij kaarslicht. Inderdaad, het is weer even wennen.

Gelukkig zijn er ook genoeg leuke dingen: avocado’s die echt naar avocado smaken, nog steeds matomoko in overvloed, mijn zelf gezaaide toevoeging: rucola, peterselie en rozemarijn uit eigen tuin, en niet te vergeten alle vrienden, collega’s en bekenden in Loitokitok. De een heet me nog hartelijker welkom dan de ander, en allemaal zijn ze blij met de portretfoto die ik voor vertrek heb gemaakt, en in Nederland af heb laten drukken.

Nu weer ‘aan de arbeid’. Er gebeurd van alles, maar vooral op instigatie van SASRA, de SACCO Societies Regulatory Authority. De regels worden aangescherpt en het toezicht wordt strakker. In November kwam de club langs, voor een workhop en informatie over de nieuwe regels. Daar is door Ilkisonko geen opvolging aan gegeven, maar nu moeten ze; anders wordt hun vergunning ingetrokken. Nouja, er gebeurd tenminste iets. Nu nog even kijken of ik daar wat bij kan betekenen.

Ik kom eraan!

12 May 2011

Uit de kraan drinken zonder ziek te worden.  Daadwerkelijk moeten stoppen voor een stoplicht. Een stoep naast de weg. In een park hangen zonder dat er elke minuut iemand op je af komt. Langs de gracht lopen. Fatsoenlijk douchen. Utrecht. Groningen. Lelystad. Loppersum. Marieke. Een bruiloft. Nog een bruiloft. En nog een bruiloft, om het af te leren. Witbiertjes op het Ledig Erf. Drankjes in Amsterdam. Drankjes in Rotterdam. Eendags_drankjes. Bartjan & Laura. Alexander & Roos. Dries-Jan & Meike. Ruud & Rudy. Dave & Audrey. Oma Haaksma. Opa & Oma Pilon. Eva. Ghita. Albertine. Nicoliene. Door & Puck. Jaap & Carla. Iedereen die ik wel gemist maar niet genoemd heb. Gerookte makreel. Roggebrood met kaas. Gerookte zalm. Komijnekaas. Brood dat echt naar brood smaakt. Smulhuis. Bastaard. Livemuziek in het Pothuys. Dansen in de Ekko. Tivoli. Sauna. Ligfietsen langs de Lek. Alles wat me nu niet te binnen schiet. Het wordt leuk druk, de komende drie weken!

Kenia in volle glorie

9 May 2011

Zo, tijd voor een update. Ik ben lekker in de weer geweest. Niet altijd even veel met werk, maar ik vermaak goed genoeg dat schrijven er af en toe bij in schiet.

Vlak voor Pasen ben ik voor een weekje skill sharing naar Western province vertrokken. Een lokale organisatie, Rafiki wa Maendeleo, heeft hulp nodig met hun IT. Ik vraag vooraf niet te veel details; ben al lang blij dat ik iets IT gerelateerds kan doen, ook al is het maar regulier onderhoud en het uitleggen daarvan aan een collega. De club is behoorlijk groot, en loopt goed. Groot terrein, veel gebouwen, veel (Keniaanse) medewerkers, en in het algemeen veel activiteit. Er wordt veel gedaan voor weeskinderen, onder andere door pleeggezinnen te zoeken en die te begeleiden. Op dit moment bereiken ze ongeveer 2000 kinderen. Goed bezig dus.

Ondertussen werken er ook veel volunteers: twee VSO’ers voor twee jaar, een van het Peace Corps voor anderhalf jaar en een paar via-via voor een paar maanden. En dan zijn er nog de twee VSO’ers die in Januari met onvrede zijn vertrokken; het zijn er nogal veel, in mijn ogen. Na drie dagen rondkijken blijkt dat de sleutelposities ingenomen worden door volunteers: geen Keniaan met leidinggevende of financiële verantwoordelijkheid te bekennen.

Ook in het verhaal over de oprichting blijkt de vork wat apart in de spreekwoordelijke steel te zitten. Het kinderloze echtpaar waar ik bij logeer is begonnen met het opvangen van een paar weeskinderen, en dat is op een gegeven moment wat uit de hand gelopen. Terwijl zij druk bezig waren het hoofd boven water te houden kwam er een muzungu-vrouw langs. Eentje die door de carrière van haar man in  Kenia terecht is gekomen en wel een projectje kon gebruiken. Het luxeleven in Karen geeft ook maar beperkt voldoening. Een en ander was snel geregeld en zo werd Rafiki wa Maendeleo een ‘trust’, met drie trustees: de muzungu-vrouw en twee muzungu-vrienden. Vooral de vrouw heeft de touwtjes stevig in handen. Sterker nog, afgaand op de verhalen van een paar medewerkers lijkt het touwtje in kwestie verdacht veel op een zweep.

Solomon en zijn vrouw zijn naar eigen zeggen ‘speciaal adviseur’ in de organisatie. Ik weet nog niet zo goed wat ik er van vind, zo’n muzungu die met harde hand regeert. Maar er staat nu wel een flinke organisatie, en er worden 2000 kinderen geholpen. De connecties van de muzungu helpen enorm; Solomon was zo ver niet gekomen.

Tijdens Pasen komt Jurjen op bezoek: veel gezelligheid, nieuwe stroopwafels en een Groene Amsterdammer. Tof! Het is zijn eerste bezoek aan sub-Sahara Afrika, dus er is veel te ontdekken. We gebruiken Kisumu als uitvalsbasis om Kakamega Forest en Ruma National Park te verkennen. De eerste trip naar Kakamega gaat wonderbaarlijk soepel: het enige ‘ongemak’ is een koude bucketshower. Maargoed, daar ben ik aan gewend en ’s avonds zitten we weer lekker op een dakterras desperado’s te drinken. Tijd voor een echte Afrika-ervaring dus.

Samen met Leah, een Engelse studente die in twee weken alleen het dakterras van het hotel heeft gezien vertrekken we de volgende ochtend naar Homa Bay. Volgens de Rough Guide een ‘scruffy and unremarkable place’. Mooi, dat is alvast zo Afrikaans als je kan krijgen. Na drie uur hotsen en botsen komen we aan. Scruffy en unremarkable is het zeker. De atmosfeer heeft wel wat weg van Loitokitok, maar dan met uitzicht op Lake Victoria in plaats van de Kilimanjaro

We drinken wat, met uitzicht op de hoofdstraat. Het Afrikaanse leven trekt voorbij: gedeukte bussen, overvolle matatus, zwaar beladen piki-piki’s, mannen die pennen en sokken willen verkopen, een jongen die ons een paar shilling geeft en hoopt dat wij het verschil bijleggen en een biertje voor hem kopen, een dronken meisje dat stenen gooit naar voorbijlopende Maasai (Homa Bay is Luo territorium) en even later schreeuwend haar rok voor hen optilt. Kenia in volle glorie.

Plan is om de volgende ochtend vroeg naar Ruma National Park te gaan. Voor de zekerheid boeken we een voertuig (minibus) bij KWS, de Kenya Wildlife Service. Iets duurder dan een particuliere bus, maar wel met een gids die de weg weet. De beheerder belooft ons dat we om kwart voor zes opgepikt worden, zodat we om half zeven, als de poort opengaat, vrolijk het park binnen kunnen rijden.

Maandagochtend, kwart voor zes. Ik bel de chauffeur om te vragen waar hij is. Ik kan horen dat hij onderweg is. Dat scheelt. ‘Twintig minuten, de weg is slecht’. Een half uur later belt hij terug: ‘ik sta op de parkeerplaats, waar zijn jullie?’. Wij hebben niemand aan zien komen; de beste man blijkt bij een ander hotel te staan, dat ook ‘lakeside’ in de naam heeft. En jammer ook dat het in een dorp anderhalf uur verderop is.

Een hoop telefoontjes en anderhalf uur later worden we toch nog opgepikt. Wederom lopen we tegen een misverstand aan. Ik dacht bij een minibus aan een negenpersoons busje, met een open dak, zoals 99 procent van de safaribusjes. In ons geval bleek het vehikel een slagje groter. Om precies te zijn telden we dertig zitplekken. Voor ons drieën…

De weg terug ging lekker Afrikaans: de eerste matatu stopte halverwege en ging niet verder. Gelukkig konden we meteen een directe verbinding naar Kisumu regelen. In een overvolle matatu, dat dan weer wel. Voor Leah konden we een fatsoenlijke plek regelen, Jurjen zat helemaal achterin, bedolven onder een dozijn Afrikaanse heupen, en ik zat op een plankje, tactisch tussen twee stoelen geschoven.

Zo’n overbeladen matatu mag officieel niet, en ook niet van de agent die ons aanhield. Jurjen was niet zo zichtbaar onder de heupen, dus dat was mazzel voor hem. Leah en ik zaten vlak naast de deur, en kregen de volle laag. Dat we wel blank en toerist waren maar ons toch aan de regels moesten houden. En dat we moesten weten dat we een gordel om moesten. En of we wel wisten dat hij als agent de macht had ons uit de matatu te trekken.

Leah zat al snel te bibberen en voelde zich echt niet op haar gemak. Gelukkig ben ik lang genoeg in Kenia om te weten dat het die agent niet om de regels te doen is, maar om ‘iets kleins’, zoals ze hier eufemistisch zeggen.  Om de aandacht af te leiden antwoord ik dat we gewoon een kaartje gekocht hebben zoals ieder ander, en dat hij helemaal gelijk heeft, en of hij dat verhaal van de gordels aan de conducteur uit wil leggen. De agent zegt opnieuw dat we een gordel om moeten, en ik weer dat hij dat tegen de conducteur moet zeggen. We gaan een tijdje zo door, tot de andere passagiers allemaal in lachen uitbarsten en de agent er ook genoeg van heeft. Eind goed al goed, en ’s avonds zitten we weer lekker op een dakterras desperado’s te drinken.

Het werk in Loitokitok blijft weinig en langzaam, in elk geval wat betreft de zaken waar ik me mee bezig zou moeten houden. Inmiddels zijn er wel verkiezingen geweest: in een cooperative worden elke drie jaar nieuwe leden gekozen om zitting te nemen in diverse commissies. Spannend, wnat officieel mag je twee termijnen achter elkaar in een commissie zitten, en de meeste leden hebben twee termijnen gedaan. In de praktijk mag je kennelijk van de regels afwijken: exact dezelfde mensen zijn herkozen op exact dezelfde posities.

Gelukkig heeft iedereen er wel weer zin in: er gaat een golf van energie door de organisatie heen. Op de werkvloer is er nog niet zo veel van te merken, maar er is elke dag wel een meeting, mensen kijken wat vrolijker. Het lijkt bijna alsof er echt wat gaat gebeuren. Ik grijp het moment aan om een beetje te duwen en trekken aan de dames en heren executives, over het stellen van doelen, leiderschap, rekenschap afleggen en zo nog wat zaken die in mijn ogen verbetering kunnen gebruiken. Hoewel het niets met IT te maken heeft vind ik het leuk om te doen, en het valt in goede aarde. Win-win dus.

Edgar heeft het ondertussen helemaal verbruid, zowel met Ilkisonko als met VSO. Niet zo gek: ook in Afrika trekken mensen het slecht als je ze het gevoel geeft dat ze bedonderd worden, als je het ene zegt en het andere doet. Waar eerder alleen een beetje raar werd opgekeken is inmiddels iedereen, zelfs z’n buurvrouw, danig geïrriteerd. Wat hij precies gedaan heeft weet ik niet, en wil ik eigenlijk ook niet weten. Afgelopen zaterdag is hij na aandringen van VSO vertrokken, en dat is goed. Op de dag van zijn vertrek probeerde hij al z’n huisraad te verkopen, inclusief gebogen lepels, kopjes zonder oor en halve potjes honing. Volgens Grace is hij een oude man en doet hij daarom dit soort dingen. Ik hoop toch anders oud te worden.

Dan nog iets leuks. Groente en fruit komt en gaat hier met het ritme van de seizoenen. Afgelopen Juli ben ik meteen na aankomst op zoek gegaan naar cherimoya, het lekkerste fruit op aarde. Onvindbaar in Loitokitok, en dat ik de de Keniaanse naam niet kende maakte het zoeken er niet makkelijker op.  Een week of twee geleden werd ik op de markt aangenaam verrast: het barst ineens van de matomoko, zoals de zoete vruchten hier genoemd worden. Heerlijk!

Welkom in Kenia

11 April 2011

Ik wil jullie voorstellen aan Joël. Een jaar of dertig, en woont in Loitokiok. Het leven is niet altijd makkelijk voor hem, zonder echte opleiding, en zonder vast werk. Zijn dagen zijn gevuld met losse klusjes, meehelpen met oogsten hier, een greppel graven daar, tussen het rondhangen en bier drinken door. Hij is niet alleen, de meeste vrienden hebben dezelfde levenstijl.

Loitokitok is volop in ontwikkeling, nu de asfaltweg er ligt. Je ziet meer en meer groepjes toeristen rondlopen, vooral op zaterdag en dinsdag, de marktdagen. Als de aansluiting met Tanzania af is hoeven reizigers tussen Arusha, Moshi en Nairobi niet meer met een grote boog oostwaarts via Voi, maar kunnen in een bijna loodrechte lijn noordwaarts. Dat scheelt een uur of drie reistijd, en brengt iedereen door Loitokitok. Tot voor kort kon het een paar dagen duren om in Nairobi te komen, vooral in de regentijd. Soms kwam de bus vast te zitten in de modder, en zat er niets anders op dan te wachten tot het droog werd. Gelukkig zijn het nu andere tijden, als de file in Nairobi meevalt ben je er in iets minder dan vier uur. Dat brengt veel potentie naar Loitokitok, en nu al trekt de economie aan. Prijzen voor grond gaan omhoog, en er worden meer en meer huizen en winkels gebouwd.

Joël merkt er nog niet zoveel van, elke dag is meer van hetzelfde. Misschien dat hij wat vaker losse klusjes kan krijgen, maar echt zoden aan de dijk zet het niet. Hij blijft zijn dagen doorbrengen met rondhangen, pool spelen en bier drinken in de Sunrise Inn. Soms doet zich een kans voor en pakt hij wat hij pakken kan. Het is niet de eerlijkste manier om aan geld te komen, maar als de gelegenheid er is, en je wordt niet gepakt, wat kan er dan gebeuren? En als hij het niet doet, doet een van z’n vrienden het wel. Dan kan hij maar beter zorgen dat het zijn portemonnee is die gevuld word.

Hij is jaloers op de twee volunteers in het dorp. Hij komt ze regelmatig tegen, lopend door het dorp, in de Sunrise Inn of op de motor. Dat is wat hem nog het meest jaloers maakt, de motoren waar ze op rijden. Spiksplinternieuw, echte Honda’s, niet de Chinese namaak. Als Joël zelf ooit de kans heeft een motor te kopen is het een goedkope Jia-Ling of Haojin. Ze lijken stevig, maar schijn bedriegt. Het staal is zacht, de banden zijn goedkoop, ze verslijten snel. Een echte Honda of Yamaha is meer dan zes keer zo duur, ver buiten bereik.

Op een vrijdag ziet Joël de volunteers wachten op een matatu, ze gaan naar Nairobi. Hij kent Loitokitok goed, en weet dat ze op het terrein van de Katholieke kerk wonen. Een van hen, de Filippino, woont tegen de nieuwe asfaltweg aan, vlak bij de plek waar volgend jaar een nieuwe ingang gemaakt wordt. De eerste voorbereidingen zijn al getroffen: een paar bomen gerooid, de greppel naast de weg is al overbrugd. Het hek staat er nog, natuurlijk, maar het is in slechte staat. Hier en daar wat kleine gaten, en achter de struik een groter gat, groot genoeg om doorheen te kruipen. De leraren van het nabijgelegen huis gebruiken het om de weg naar het dorp af te snijden, het scheelt een paar honderd meter. Ze hebben een pad uitgesleten tussen de begroeiing, iedereen kan zien waar het gat moet zitten.

Het is inmiddels in de middag, de volunteers vertrekken. Joël weet dat ze op z’n minst een nacht in Nairobi blijven. Hier heeft hij al een tijd op gewacht. Tegen zevenen, als het net donker is, grijpt hij zijn kans, hij kan het niet laten schieten. Als er even niemand voorbij komt rent hij van de weg naar het hek en kruipt vlug door het gat. Het is twintig meter naar het huis, daar kan niemand hem meer zien. Hij schuift een metalen staaf door het hangslot, probeert het te forceren. Het is te sterk, hij krijgt het niet kapot. Dan maar achter de grendel zelf. Hij zet zijn gewicht er op, en nog een keer. De staaf buigt door, even is hij bang dat hij breekt, maar dan knapt de grendel open. De Honda staat meteen achter de deur, klaar om naar buiten te rijden. De sleutel is niet te vinden. Dan maar op een andere manier. De kabels zijn snel doorgesneden, hij probeert er een paar kort te sluiten, zonder de goede combinatie te vinden. Dat betekent duwen.

Joël maakt het gat in het hek wat groter, duwt de motor door de greppel en slaat rechtsaf op de hoofdweg. De weg loopt gelukkig naar beneden, het duwen is niet zo zwaar, de motor staat in z’n vrij en rolt bijna vanzelf. Hij hoeft niet zo ver, voor vannacht heeft hij een veilige parkeerplaats gevonden. Morgen kan hij via binnendoorweggetjes naar Tanzania, er is al een potentiële koper. Zijn vrienden zullen blij zijn met de extra rondjes die hij kan geven.

Van de asfaltweg slaat hij linksaf. De weg loopt nog steeds naar beneden, maar hier zijn niet meer zoveel mensen. Hij is er bijna, als hij een groep motoren aan hoort komen. De boda-boda’s* komen hem achterop gereden, ze zijn met een man of tien. Hij hoort ze opgewonden roepen en schreeuwen. Shit. Hij zag licht branden in een huis vlakbij, toen hij de motor door de greppel duwde, en het silhouet van een vrouw, maar heeft er geen aandacht aan geschonken. De vrouw kende mensen van de Katholieke kerk, en heeft meteen gebeld. Binnen een paar minuten is de politie ingeseind, die vervolgens de boda-boda’s ingeschakeld heeft. Er zijn de laatste tijd veel motoren gestolen, de boda-boda’s zijn er behoorlijk pissig over en helpen graag mee een dief te vangen. Zo graag, dat de agenten zelf geen moeite meer doen. Ze laten de boda-boda’s gaan en horen het wel als de dief gepakt is.

Joël wordt zenuwachtig, de groep komt zijn kant op. Hij is gezien. Voor hij het weet is hij omsingeld en staan er drie jonge mannen tegenover hem. Hij weet wat er komen gaat, hij is hier eerder geweest, het is niet prettig, maar het risico van het vak. Alleen deze keer heeft hij iets groots gestolen, en de boda-boda’s weten dat hij ook iets met de andere gestolen motoren te maken had. Ze zijn furieus. De eerste klap raakt hem boven zijn slaap. Nog een, in z’n zij. De drie boda-boda’s gaan los, Joël weet dat hij zich niet kan verzetten, ze zijn met te veel, het is zinloos. Hij voelt de vuisten overal, af en toe krijgt hij een trap, het gaat maar door. Zijn neus bloed, z’n lip ook. Er volgt een klap op z’n nieren, hij kreunt het uit, valt op de grond, hoopt dat het snel over is.

De eerste trap op z’n hoofd komt hard aan. Even is het zwart, hij duizelt. Een tweede trap, hij ziet niks meer, voelt de pijn in z’n lichaam langzaam wegtrekken. Het moet nu bijna over zijn. De derde en vierde trap raken hem vol, weer op z’n hoofd. Hij laatste dat hij hoort is gekraak, z’n schedel breekt.

Even later arriveert de politie. De motor wordt naar het bureau gebracht, het lichaam van Joël naar het mortuarium, de boda-boda’s bedankt voor hun inzet. Zaak gesloten.

Die avond wordt ik door vier verschillende mensen gebeld, met alle vier hetzelfde verhaal. “Kan je tegen Casimiro zeggen dat z’n motor is gestolen, maar dat we ‘m al weer teruggevonden hebben? Je hoeft je geen zorgen te maken om jouw motor, we hebben de dief al doodgeslagen.

Welkom in Kenia.

 

* Boda-boda’s: motortaxi’s. Meestal mannen tussen de twintig en dertig met een uitbundig versierde motor, te huur voor korte ritjes. Ze staan met een groep op een vaste plek. Er is geen officiële samenwerking, maar wel saamhorigheid: ritjes worden vaak verdeeld, en bij onrust (diefstal, aanrijdingen) treden ze als groep naar buiten.

Get out of town

8 April 2011